"Mijn moeder was eerder verbaasd over dat dit mogelijk was, maar absoluut niet verbitterd of haatdragend."

 

Terug

Ans Nales over de keukendoeken van haar moeders uitzet

“Mijn moeder had de Duitse nationaliteit, mijn vader de Nederlandse. Ze zijn vlak na de oorlog getrouwd. Deze keukendoeken heeft mijn moeder zelf geweven, samen met haar moeder. Ze had een prachtige uitzet, overal had ze haar initialen op geborduurd: AT, Änne Tekaat. De keukendoeken waren wat ruw vergeleken met de rest. Ze vormen een beladen herinnering. 

Mijn opa en oma hadden de Duitse nationaliteit, maar ze woonden in Nederland, in Voorst-Gendringen, een dorp vlak bij de grens. Mijn grootouders en ook mijn moeder hebben er lang gewoond. Het was een prachtige plek, midden in de velden. Ik herinner me oma zelf nauwelijks, ik was vier toen ze overleed, maar mijn moeder vertelde altijd veel over vroeger. Het was spannend om zo dicht bij de grens te wonen, er werd veel gesmokkeld, met alle spannende verhalen die daar bij hoorden. Opa was meubelmaker, hij overleed in 1942 aan een hartaanval. Oma had een kruidenierszaak. Duitse klanten maakten gebruik van het grenspad, een oude Romeinse heerweg die uiteindelijk naar Amsterdam liep. Over deze weg, voor hun huis langs, vielen mei 1940 de Duitse soldaten Nederland binnen. Daar begint dit verhaal.

Ik kan me niet herinneren dat deze keukendoeken gebruikt werden, wel dat ze in de kast lagen. Ik vond ze als kind niet mooi en was allang blij dat mijn moeder moderne, gekleurde keukendoeken had. Maar bij een verhuizing gingen de oude keukendoeken altijd weer mee en lagen ze onderop het stapeltje in de keukenkast. Ze vond het moeilijk om erover te praten, ze werd er altijd een beetje verdrietig van. Ik wist dat het met de oorlog te maken had. Ze heeft mijn broer en mij nooit nare verhalen over de oorlog verteld, maar soms worden de dingen veel moelijker als je er niet over praat. Pas veel later hoorde ik wat er gebeurd was.

Na de Duitse inval werden de Nederlanders vervelend behandeld. Misschien werden mijn grootouders en moeder een beetje ontzien, ik weet het niet. Het was natuurlijk een moeilijke situatie, want officieel hadden ze de Duitse nationaliteit. Aan het eind van de oorlog, in mei 1945,  vluchtten mijn oma en mijn moeder voor de gevechten naar mensen die ze kenden. Na de bevrijding werd het huis geplunderd door Engelse soldaten. Of geplunderd…. Ik heb nooit gehoord dat de soldaten kostbare spullen meenamen. Ze trokken de huizen in om te eten, drinken en weer eens in een normaal bed te slapen. Dat hoort bij oorlog, zou je kunnen zeggen. Een paar weken later deden de buren het nog eens over, zij namen wel van alles mee. Toen mijn moeder en grootmoeder terugkwamen, hing moeders uitzet bij de buren aan de lijn te wapperen. Behalve deze keukendoeken, die hadden ze laten liggen, waarschijnlijk waren ze niet mooi genoeg.

Ik denk dat mijn moeder veel geleerd heeft van de oorlogstijd. Ze was heel aardig, maar wist wat ze wilde en sprak zich ook uit. Ik heb haar nooit kunnen betrappen op vooroordelen. Ongetwijfeld was de relatie met de buren wat minder hartelijk dan voorheen, maar ze keek vooruit en is gewoon met hen om blijven gaan. “Je moet met alle mensen verder”, zei ze altijd. Het was niet zo dat ze er niets van durfde te zeggen, zo was ze niet. Mijn moeder was geen bange vrouw. Ze was eerder verbaasd over dat dit mogelijk was, maar absoluut niet verbitterd of haatdragend.

Het feit dat ze uit een middenstandsnest kwam, speelde denk ik ook mee. Van jongs af aan was ze opgegroeid in de wetenschap dat dorpsbewoners ook je klanten zijn. Als je een vervelend iemand bent, komen ze niet. En in zo’n kleine gemeenschap heb je elkaar altijd nodig. De buren hebben misschien gedacht dat ze weg waren en niet meer terug zouden komen, je weet het niet. Ze hadden in elk geval geen medelijden met mijn moeder en grootmoeder. Misschien had het ook met afgunst te maken. Voor de oorlog waren mijn grootouders wat welgestelder, in de oorlog werden ze door de bezetters mogelijk ontzien vanwege hun Duitse nationaliteit. We zullen het nooit weten. Mijn moeder zag het vooral als dommigheid.

Mijn moeder bewaarde de keukendoeken omdat ze een herinnering vormden aan haar eigen moeder, aan de mooie uitzet die ze samen maakten. Toen ze in 1998 overleed, nam ik ze mee naar Emmen. Sinds die tijd liggen ze bij mij in de kast. M´n hulp stelde voor om er poetsdoeken van te maken. Dat vind ik zonde, maar ja, onze kinderen zullen ze niet meenemen. Dat snap ik, hoor. Voor hen zijn het gewoon oude doeken. Maar mij herinneren ze aan wie mijn moeder was en hoe ze in het leven stond. Een sterke, levenslustige en ondernemende vrouw die zich er niet onder liet krijgen. Ik vind het fijn dat dit verhaal nu niet bij mij stopt, maar voortleeft in andere mensen. ´Dat is het hiernamaals´, zei mijn vader altijd.”

Volgende