"Ze had nooit zoveel woorden nodig en was best op zichzelf. Het was geen echte knuffeloma, ze ging vooral haar eigen gang."

 

Terug

Nieni Dijksma over de plastic broches van haar oma

“Deze plastic broches kreeg ik van mijn oma, de moeder van mijn moeder, toen ik een jaar of vijf was. Dat was eind jaren vijftig. Ze nam ze voor me mee als souvenir van haar vakantie. Mijn oma was oorlogsweduwe, ze heeft haar twee dochters alleen groot gebracht. Opa was sergeant-ziekenverpleger bij de marine en kwam om bij de Slag in de Javazee in 1942. Het overlijdensbericht ontving ze zes jaar later, in 1948. Het verhaal gaat dat opa stapel was op oma, maar daar had ik het met haar nooit over.

Eind jaren vijftig vatte ze samen met enkele oudere dames, ook oorlogsweduwen, het plan op om samen op pad te gaan. Ze hebben heel wat reizen gemaakt, op het laatst ging ze wel vier keer per jaar. Altijd nam ze iets voor me mee, vaak prullaria zoals deze broches of van die bolletjes met nepsneeuw. Ongetwijfeld vertelde ze verhalen over die vakanties, maar die zijn me eerlijk gezegd niet zo bijgebleven. Op een gegeven moment is het ook niet meer bijzonder natuurlijk.

Ik ben opgegroeid met mijn oma. Wij woonden in het portiek op nummer 12, oma tegenover op nummer 10.  Dat was in Amsterdam, in de Indische buurt. Het was een echte volksbuurt, er woonde van alles. Mijn moeder werkte thuis, achter de naaimachine. Oma paste veel op ons. We gingen regelmatig naar Artis of spelen in de zandbak, verderop in de buurt. Ze was een van de eersten met een televisie, op woensdagmiddag kwamen de kinderen in de straat bij haar tv-kijken.

Als ze naar het centrum ging om haar uitkering op te halen, ging ik mee. Heen lopen en terug met de tram, waarschijnlijk uit zuinigheid. Dan mocht ik kiezen: rookworst van de Hema of wat drinken in de cafetaria, aan het tafeltje-met-pluchen-tafelkleed voor het raam. Ik wilde altijd naar de cafetaria, in de vitrine zitten, zodat iedereen zag dat ik daar zat.

Later leerde ze me klaverjassen. Ze had al snel door dat ik rookte. Ze rookte zelf ook. Dan legde ze haar sigaret neer en knikte ze naar me – neem maar een trekje. Ze had nooit zoveel woorden nodig en was best op zichzelf. Ik kan me niet herinneren dat we veel gepraat hebben. Het was geen echte knuffeloma, ze ging vooral haar eigen gang. Ze woonde ook al heel lang alleen natuurlijk. Toch was ze ook wel eens bang. Als m´n zusje en ik bij oma waren en het onweerde, dan gingen we met z´n drieën op de wc zitten, oma met een tasje met alle papieren erin. Ze had als meisje meegemaakt dat de bolbliksem een spoor door het huis trok en was doodsbenauwd voor onweer.

Oma overleed in 1978, ze was 83. Ze was al wat aan het dementeren toen ze een herseninfarct kreeg. Daar is ze uiteindelijk aan overleden. De laatste jaren woonde ze in een verpleeghuis in Hardenberg. Daarvoor woonde ze bij mijn ouders, nadat ze door haar andere dochter op straat was gezet – ze was te lastig.

Ik heb een leuke oma gehad, maar mijn moeder vindt niet dat ze een leuke moeder had. Oma was egocentrisch, wilde altijd dat anderen mee gingen in haar verhaal. Ze werkte op het gemoed van haar dochters, probeerde een schuldgevoel te kweken om haar zin te krijgen. Ik heb mijn oma altijd verdedigd tegenover mijn moeder. Je hebt het zelf toegelaten dat ze zich zo gedroeg, zeg ik dan. Dat lag niet alleen aan oma. Het is een spel dat jullie van jongs af aan samen speelden. Mijn moeder heeft veel van oma geslikt - totdat mijn vader kwam. Ik weet nog dat we op vakantie gingen, met de Simca 1000. Oma zorgde voor drama’s vooraf. Ze deed heel zielig. ‘Nu moet ik hier alleen achterblijven!’ Mijn vader maakte daar korte metten mee.

In het verpleeghuis in Hardenberg kreeg oma een hersenbloeding. Met Sinterklaas lag ze in het ziekenhuis, ik ben er toen met de kinderen op bezoek geweest. Oma was een zoetekauw, maar daar mocht ze geen snoep. Er liep een Zwarte Piet in het ziekenhuis, die gaf haar wat pepernoten. Ze strekte beide handen uit en stopte alles in één keer in haar mond, heel snel en gretig. Het was aandoenlijk.

Oma was een harde vrouw, maar na het infarct sloeg dat om. Ik nam een bal mee en dan gingen we rolstoelballen, of kleien met klei van de kinderen. Daar genoot ze van. Met kerst heb ik haar opgehaald en verzorgd. Ik vraag me wel eens af of ik dat voor mezelf of voor haar heb gedaan. Ze vond het wel gezellig en liet het zich smaken, maar voor haar maakte het niet echt uit. Ze was toen meer als een kind. Maar ik vond het fijn om voor haar te kunnen zorgen, om wat terug te kunnen doen.

Er zaten veel verschillende kanten aan mijn oma. Maar ach, zo zijn mensen, ze hebben meerdere gezichten. Voor mij was ze een leuke oma. Deze broches heb ik altijd bewaard omdat ik ze van haar gekregen heb. Het is een beetje als met de medailles van de avondvierdaagse. Ze liggen in een doosje, je kijkt ernaar, maar je ziet ze eigenlijk niet. Totdat iemand je een vraag stelt en je begint te praten.”

Volgende