"Opeens keek mijn moeder naar het kopje. Het leek wel alsof… maar nee, dat kon niet."

 

Terug

Mieke Niessen over de kapotte kop en schotel van haar moeder

“Ik kom uit een groot, vrij rumoerig gezin met zes kinderen. Mijn ouders hadden een verf- en behangwinkel in Sappemeer. Mijn moeder stond in de winkel, mijn vader was huisschilder. Het was een lekker druk leven. Ze hadden nooit vakantie, maar dat gold voor de hele middenstand in die tijd. Immers: geen vakantie, geen inkomen. Ze gingen wel bij elkaar op visite. Beetje kletsen, kaartje leggen. Het waren andere tijden. Mensen verhuisden ook niet, het was een hechte gemeenschap.

Mijn moeder was heel lief, bij haar kon altijd alles. Ze begreep dat we ruimte nodig hadden. Als we speelden, ging het ook wel eens mis. Een bal die per ongeluk een bloempot raakte, een koffiekopje waar het oortje afbrak…. Een tubetje velpon bracht redding. Snel lijmden we het oortje weer aan het kopje vast en zetten we het in de kast. Zo waren er allerhande onzichtbare zaken waar mijn moeder geen weet van had.

Een van die kopjes was het kopje waar mevrouw De Wit altijd thee uitdronk. Mevrouw De Wit was een vriendin van mijn moeder, een deftige Haagse dame, compleet met bontjas en een bijzonder ingenieus kapsel van grijze krullen op haar achterhoofd, vastgezet met ontelbare schuifspeldjes. Mijn moeder was in haar jonge jaren ook ooit een stadse dame geweest – ze woonde in Zwolle en later in Groningen –, dat schiep een band. Ondanks haar deftigheid was het een leuke, vlotte vrouw die prachtig kon vertellen. Ik geloof dat ze elkaar via mijn vader kenden. Mijn vader was geboren en getogen in Sappemeer, hij kende iedereen, kwam overal om te behangen of te schilderen.

Eens in de zoveel weken kwam mevrouw De Wit op theevisite om de laatste nieuwtjes met mijn moeder te bespreken. Zo ook die ene middag. Mijn moeder pakte de mooie kopjes uit de servieskast en schonk de thee in. Mevrouw De Wit hield het kopje bij het oortje vast, pink keurig omhoog. De thee was warm, ze blies er zachtjes in. Nog even wachten. Opeens keek mijn moeder naar het kopje. Het leek wel alsof… maar nee, dat kon niet. Ze keek nog eens. Jawel! Verbijsterd zag ze hoe het kopje tergend langzaam van het oortje gleed en uiteindelijk in de schoot van mevrouw De Wit belandde. Mevrouw De Wit hield alleen nog het oortje vast –met haar pink omhoog! Ze keken elkaar aan en brulden het uit van de pret, de tranen biggelden over hun wangen.

Ik was aan het werk in Groningen, ik was een jaar of achttien. Toen ik ’s avonds thuiskwam, hikte mijn moeder nog na van het lachen. Ze zag er de humor wel van in, maar ik moest haar plechtig beloven dat ik nooit ofte nimmer meer een oor aan een kopje zou lijmen. Het bewuste kopje is weggegooid, maar de laatste van de serie heb ik bewaard. Ik ben sowieso een echte verzamelaar. Mijn huis staat vol met voorwerpen die ik bewaar vanwege het verhaal dat erbij hoort. Ach, een huis is om in te leven en al die verhalen horen bij mijn leven.”

Volgende