"In mijn herinnering was mijn moeder er altijd. Ze was zo’n moeder die de thee klaar had als je uit school kwam."

 

Terug

Els Zwols over haar moeder en het versje in haar poëziealbum

“Mijn moeder is 49 geworden. Ze overleed toen ik tien jaar was, in 1977. Ik heb niet veel tastbare dingen van haar, op wat sieraden na. Op 21 februari 1974 schreef ze als eerste in dit poesiealbum, de dag nadat ik het gekregen had. Ze had er één plaatje bij geplakt, maar dat vond ik niet genoeg, dus plakte ik er nog een hele mooie bij. Ik weet niet meer waarom ik het poesiealbum kreeg, volgens mij zo maar. Ik vond het niet eens zo mooi, zo saai bruin.

Mijn moeder heette Sara Maria Hartwigsen, maar iedereen noemde haar Rie, Marie of zus. Een jaar voordat ze stierf kreeg ze last van haar arm, liet ze ineens dingen vallen. Zo gek! De dokter dacht aan een tennisarm, maar het ging niet over. Het bleek de meest agressieve vorm van ALS. Ze sprak er nooit over dat ze ging sterven. Ik moest alles zelf interpreteren. Maar ze takelde zo snel af, ik vermoedde wel dat ze niet beter zou worden.

We woonden in Emmermeer, tegenover de school. Na school ging ik direct naar huis, want moeder moest naar de wc, dat kon ze niet zelf omdat ze haar armen niet meer kon gebruiken. Daar dacht ik niet over na, dat deed ik gewoon. Dat was mijn taak. Spreken werd steeds moeilijker, eten ook, ze at op het laatst alleen nog maar babyvoeding. Mijn broer Gerrie woonde thuis. Hij is negen jaar ouder dan ik. Hij zat op de pedagogische academie en handbalde bij het eerste herenteam van E&O. Mijn oudste broer Piet kwam in die periode terug uit Australië, waar hij zes jaar eerder naar toe was gegaan. Moeder was jarig op 13 maart, ze stierf op 25 augustus. Op die dagen bellen we altijd even met elkaar. Wij zijn heel close met elkaar, er komt niks tussen mij en m’n broers.

Mijn vader was een Indiëganger. Mijn moeder was één van de meisjes die brieven schreven aan de militairen, zo hebben ze elkaar leren kennen. Mijn vader had het gezag thuis, maar volgens mij hadden ze het wel goed met elkaar. In mijn herinnering was mijn moeder er altijd. Ze was zo’n moeder die de thee klaar had als je uit school kwam. Ze was heel lief, niet streng en niet snel kwaad. We deden spelletjes en als ik in de speeltuin speelde, kwam ze er gezellig bij zitten. Ik mocht altijd vriendinnetjes mee nemen of zelf logeren. We hadden het ook goed getroffen met haar kook- en vooral bakkunst. Taart, boterkoek, appeltaart, krentenbrood… heerlijk!

Ik had een heel sociale moeder. Ze was vrijwilliger in de kerk en hielp mensen die het moeilijk hadden. Ik herinner me een bejaarde vrouw uit de buurt, ze deed altijd een beetje chagrijnig. Mijn moeder haalde haar dan af en toe op, want ze had geen familie. Mijn vader en broers vonden dat maar niks. Of ons overbuurmeisje, ze was spastisch. Het meisje was gelovig, maar haar ouders niet. Mijn moeder haalde haar op en reed haar met bed en al over straat, mee naar de kerk.

Mijn moeder kwam uit Noord-Holland, ze was een echte Durgerdamse. Ik probeerde haar Drents te leren. Ze deed echt haar best, maar vaak schaterde ik het uit. Gelukkig vond ze dat helemaal niet erg. Ze was bescheiden, maar liet zich niet onder het tapijt vegen en was altijd in voor een lolletje.

Als jong meisje heeft ze bij een joods gezin gewerkt. De familie had één kind en was vreselijk netjes. Nadat het bestek was afgedroogd, mocht je er niet meer met je handen aan zitten. Misschien heeft ze het daar aan overgehouden, maar mijn moeder was heel netjes. Ze had altijd een schort met mouwen om en een mutsje op met koken, zodat er geen haren in het eten vielen. Ook in haar woordgebruik was ze netjes. Een windje of scheetje noemde ze een vlindertje, een snottebel was een kikker. Als je plakkerige handen had, waren ze griemelig. Gerrie heeft een hele lijst met woorden die alleen onze moeder gebruikte.

Ik herinner me de dag dat ze heel benauwd was. De dokter kwam, ze ging met de ambulance naar het ziekenhuis. De andere ochtend is ze overleden. Ik was er niet bij. Toen ik uit school kwam, waren de gordijnen dicht. Oei, dacht ik, dit is foute boel. Mijn vader deed huilend de deur open. Iedere dag gingen we naar het rouwcentrum waar ze lag opgebaard. Ik weet nog dat ik dacht: nu zie ik haar nooit meer! Het klinkt misschien gek, maar de begrafenis vond ik best gezellig. Iedereen was zó lief voor me, ik mocht een mooie jurk uitzoeken in een winkel waar we anders nooit kwamen. Ik vond het wel heel verdrietig allemaal, maar ik kon ook zo weer verder.

Zeker toen ik zelf kinderen kreeg, dacht ik weer vaker aan haar. En soms schiet het door me heen: Hee, dat had ik mijn moeder kunnen vragen. Maar dat houdt snel op, hoor. Gelukkig heeft mijn tante me over haar verteld en weet Gerrie ook nog veel. Ach, hoeveel herinneringen heb je aan je moeder als je zo jong bent? Ik was een kind van negen, voor mij was ze gewoon mijn moeder. Als ik haar nu moet omschrijven, zou ik zeggen: ze was een vrouwelijke vrouw, bescheiden en liefdevol. Een beetje zoals een vlinder, daar associeer ik haar ook wel mee. Toen ik een paar jaar geleden met mijn broer op wintersport was, vloog er ineens een vlinder over de besneeuwde piste. Daar gaat onze moeder, dacht ik toen.”

Volgende