"Wat mijn moeders ogen zagen, konden haar handen maken, en die handen hebben nooit stil gestaan."

 

Terug

Lien Kroeze over de roze bedstola van haar moeder

“Ik ben niet van het bewaren, maar deze bedstola heb ik nog. Mijn moeder heeft ‘m zelf gemaakt, ik denk zo’n 55 jaar geleden. Het is van die synthetische wol die nooit af gaat. Van dezelfde wol breide ze ook complete jumpsuits voor mijn dochters. Mijn moeder was altijd bezig. Was ze niet aan het poetsen, dan tikten de breipennen. Mijn vader had last van zijn hart, hij is jong gestopt met werken. Ze hadden dus tijd om samen bij me langs te komen. ‘Kunnen we nog wat schoonmaken?’ Dan was alles weer spik en span als ze weggingen. Als ik ziek was, hielpen ze altijd.

Leren breien hoorde bij mijn opvoeding. Als ik uit de lagere school kwam, moest ik eerst mijn lapje van 10 x 10 breien voordat ik wat anders mocht doen. Die lapjes werden dan later borstrokken. Ook als ik bij een vriendinnetje thuis wilde spelen, moest ik eerst mijn tien toeren breien. Daar was geen ontkomen aan. Ik vond het vreselijk, heb er een antiphatie tegen breien aan over gehouden. Als ik jarig was, had ik altijd een zelfgemaakte trui aan met de moeilijkste patronen. Prachtig hoor, maar voor mijn eigen kinderen heb ik nooit iets gebreid. Toen onze tweelingdochters geboren werden, kregen ze uiteraard door mijn moeder gebreide borstrokjes aan. Ik weet nog dat ze verkouden waren, ze waren nog heel klein. De dokter kwam langs. Hij zei: “Doe eerst maar eens die borstrokjes uit!” Ze hebben ze nooit meer aan gehad.

Mijn moeder kon niet alleen goed breien. Wat haar ogen zagen, konden haar handen maken, en die handen hebben nooit stil gestaan. We hadden een enorme tuin, die onderhield mijn moeder, dat kon mijn vader niet. Ze maakte het ook graag gezellig thuis. Bloemetjes uit de tuin op tafel, iets lekkers bij de thee. En ze was altijd belangstellend, net als mijn vader. Het waren hele warme mensen. Ik herinner me beelden: ik ben 11 jaar en zit aan de ronde tafel, ik ben een kleedje aan het haken, mam zeemt de ramen. Dat vond ze gezellig.

Ze hield ook van zingen en toneelspelen. Vroeger had je van die boekjes waaruit je samen kon voordragen. Ze wist precies hoe het moest. Dat moet je zó doen, dààr moet je de nadruk leggen. Dat deden ze met elkaar op bruiloften, die rustig tot vier uur ‘s nachts duurden. Daar was ik als kind gewoon bij, hoor. En mijn moeder maar oefenen! Later maakte mijn vader opnames als onze dochters kwamen logeren. Samen zingen, blokfluiten, dat vond mijn moeder prachtig.

Ik had het nooit gedacht, maar zelf heb ik de bedstola graag om. Heerlijk warm rond de schouders! En als ik de stola zie, zie ik mijn moeder voor me. Ze droeg hem alleen als ze niet lekker was. Ze moest een keer een half jaar bed houden, ik heb toen zes weken in de zomervakantie voor haar gezorgd. Toen droeg ze hem ook.

In 1976 is mijn moeder overleden, twee jaar na mijn vader. Ze was 62 jaar. Ze kon niet tegen alleen zijn. Ze kreeg maagkanker, maar ik zeg altijd dat ze van verdriet is gestorven. Lang nadat ze was overleden, zag ik haar in mijn dromen, met haar roze bedstola.”

Volgende