"Ik vond het heel bijzonder, ik kreeg immers nooit wat en zoiets had niemand."

 

Terug

Vera Kieckhäfer over het bijzondere cadeau van haar tantes

“Ik was 9 jaar, het was 1945. We woonden in Stettin, dat ligt nu in Polen, en moesten vluchten voor de Russen. In eerste instantie werden we geëvacueerd naar de boerenhoeve van mijn oma op het platteland. Daar hadden we het relatief goed. Het was er mooi, er waren verse asperges en kersen.
Maar ook daar werd het te onveilig. We begroeven een zak met kostbaarheden op het land en vertrokken naar het westen, voor de Russen uit. Mijn oma, mijn moeder, mijn broers en ik. Mijn vader was een tijd daarvoor al met het leger naar Noorwegen vertrokken. Hij was bakker.

Als we geluk hadden, sliepen we in opvangcentra, vaak bunkers zonder ramen, met luizen maar gelukkig ook met een douche. Ik herinner me hoe heerlijk het was om eindelijk te kunnen douchen! Onze kleren droogden we in de oven, we hadden niet veel meer bij ons dan de dingen die we aan hadden. Op onze tocht kwamen we door Berlijn, daar woonden tante Hedwig en tante Marie, twee zussen van mijn vader in een tuinhuis, een Laube. Ik weet er niet veel meer van behalve dat het er steenkoud was. Ook de tantes hadden vrijwel niks te eten. We kregen aardappels die zoet smaakten omdat ze bevroren waren geweest. Ze gaven ons een pot om in te koken en ieder kreeg een lepel en een theelepel. Zo gingen we weer op weg.

Eind 1946 arriveerden we in Lintorf, dat ligt tussen Osnabrück en Minden. Daar is ook in 1954 mijn jongste broer geboren. Mijn moeder was toen 42. We woonden in twee kamers bij een kleine keuterboer. Het was echt armoede. We hadden geen geld maar waren gelukkig wel bij elkaar. Als ik naar school ging, hing er een emmer aan mijn stuur. Daarin zaten paddenstoelen en blauwe bessen die ik op school verkocht voor een zakcentje. Van een boer die in het kerkbestuur zat, kregen we wel eens bloem of wat extra’s.

Bij alle opvangkampen hingen lijsten met de namen van de mensen die er geweest waren en waar ze naar toe waren gegaan. Zo heeft mijn vader ons teruggevonden. Hij had het niet heel zwaar gehad in Noorwegen. Toen hij zich later bij ons voegde kon hij zich niet voorstellen dat we niets mee hadden genomen. Geen documenten, niets. We hadden alleen een rugzak om. Op het treinstation moest je oppassen dat ze niet de banden doorsneden en je rugzak jatten. Het vormt je, dat soort ervaringen. In mei, als de Tweede Wereldoorlog herdacht wordt, komt het terug. Dan lig ik ’s nachts wakker en beleef ik het allemaal opnieuw.

Op school zat ik in een klas met 32 leerlingen. Veel mensen kwamen net als wij uit het oosten. Je kunt wel zeggen dat er sprake was van overbevolking. Ik ging ook naar catechisatie. Dat was leuk, want na afloop was er altijd een thé dansant  voor de jeugd. Dansen hoorde bij de opvoeding, net als zwemles. God, ik herinner me nog de eerste gebreide badpakken! Als ze nat werden zakten ze steeds lager naar beneden.

Toen ik belijdenis had gedaan, kreeg ik per post een cadeau van de tantes. Ik kwam thuis uit school en daar lag dat pakketje voor mij op tafel. Helemaal uit Berlijn! We zijn daar nooit meer geweest, het was gewoon te duur. Ach, we zijn zó arm geweest…. Het was niet zoals de rijke mensen, die altijd nog koper of zilveren servies hebben. We hadden helemaal niets. De was deden we in de aardappelketel. En toen kreeg ik deze chique zakdoekjes uit Berlijn en een echt poesiealbum waar tante Hedwig en tante Marie allebei al een gedicht in hadden geschreven. Ik vond het heel bijzonder, ik kreeg immers nooit wat en zoiets had niemand.

Ik vond de zakdoekjes zo mooi dat ik er zelf kantjes om heen gehaakt heb. Ik kon goed handwerken, dat heb ik van mijn moeder geleerd. Zij heeft ook veel gehandwerkt, maar vond het na de oorlog niet meer zinvol. Ze zei altijd: ‘En toen kwamen de Russen en was alles weg. Je kunt beter een boek lezen,  dat kunnen ze je niet afpakken.’

Eind jaren vijftig leerde ik mijn man kennen, hij vierde vakantie in de buurt van Minden. We zijn getrouwd en zo kwam ik in Nederland terecht. Ik ben nooit teruggegaan naar Stettin. De zakdoeken en het poesiealbum is het enige dat ik nog heb van de familie van mijn vaderskant. Ik heb geen ketting of niets, er is alleen dit.”

Volgende