"De praktijk was een echt tweemansbedrijf. Mijn moeder dacht altijd met mijn vader mee."

 

Terug

Anneberte Lubbersen-Dinkla over het apothekerspotje van haar moeder

“Ik ben geboren in Haren. Toen ik een jaar was, in 1958, verhuisden we naar Nieuwe Pekela waar mijn vader huisarts werd. Een jaar later is mijn zus geboren. Toen mijn moeder mijn vader leerde kennen, was ze telefoniste. Omdat ze mijn vader graag een handje wilde helpen, ging ze de opleiding voor apothekersassistente doen. Ik groeide op in de huisartsenpraktijk. Die omgeving heeft me mijn hele leven gevormd. Dit flesje staat hier symbool voor.

´s Ochtends hield mijn vader spreekuur. Ik herinner me de wachtkamer, de mooie verhalen die daar verteld werden. Als Trine Minuut was geweest, rook de hele ruimte naar drank. Ze had die bijnaam omdat ze om de minuut een slok nam, zo wil het verhaal. Trine woonde samen met Pieter Moordje. Ik weet niet meer waarom hij zo heette, maar dat soort dingen maakte wel indruk op me. Na het spreekuur ging mijn vader visite rijden. Soms mocht ik mee. Bij kleine verrichtingen vroeg hij vaak aan de patiënt of ik ook even mocht kijken. Dat vond ik prachtig. Ik wist ook altijd precies wie zwanger was in het dorp, omdat ik tijdens het zwangerschapsspreekuur ‘toevallig’ ging volleyballen tegen de muur.

In de jaren zestig had nog niet iedereen telefoon, laat staan een mobiele telefoon. Vaak vroegen mensen om de dokter als hij op pad was. Mijn moeder wist ongeveer de route die mijn vader reed. Ze had een lijst met mensen die al telefoon hadden en dan belde ze naar een van de huizen waar hij langs zou komen. Bij spoedgevallen zette ze ook wel een krant voor het keukenraam. Nieuwe Pekela was een langgerekt dorp en mijn vader reed regelmatig voor de praktijk langs. De krant was het teken dat er iets aan de hand was. De dokter mot kommn´!

Aan het eind van de dag verwerkte mijn moeder alle medicatie in de apotheek. Op de stoep bij de voordeur stond een houten kast met een glazen klep. Daarin hingen alle medicijnen, in doosjes met een naam erop. Mensen konden dat er zelf uitpakken. Als ik uit school kwam, ging ik eerst spelen en dan mijn moeder helpen in de apotheek. Ik mocht papiertjes vouwen voor poeders of zalfjes mengen.

De praktijk was een echt tweemansbedrijf. Mijn moeder dacht altijd met mijn vader mee. Tussen de middag probeerde mijn vader zoveel mogelijk thuis te eten. Er lag een stapel post naast zijn bord en dan bespraken ze van alles samen. Soms in het Engels. omdat wij het niet mochten horen. Misschien ongezellig als je er op terugkijkt, maar zo was het gewoon. Mijn ouders waren heel sociaal voelende mensen. We hadden altijd een dienstmeisje in huis, maar eigenlijk was het meer sociale opvang. Ons laatste ´dienstmeisje´, Abelien, kwam bij ons wonen toen ze dertien was. Ik beschouw haar als mijn pleegzusje.

Mijn moeder was een sterke persoonlijkheid, maar altijd op de achtergrond. Ze was heel bescheiden. Mijn vader kon op haar bouwen, ze was de achterwacht voor alles. Soms kwamen opa en oma een week op ons passen, dan kon zij de administratie doen. Door een fysieke beperking had mijn moeder geen rijbewijs en was ze afhankelijk van anderen. Als we in Groningen gingen winkelen zei mijn vader altijd tegen me: ‘Even opletten hè, houd haar vast en let op de portemonnee.’

In het dorp stond de dokter op een voetstuk en dat straalde ook op mij af. Alles wat ik deed, werd aan hem door gebrieft. Ik was niet Anneberte, maar ‘lutje dokter’, de kleine van de dokter. Op de middelbare school stond ik een keer stiekem een sigaretje te roken. Toen ik thuis kwam, wist mijn vader het al. Als dochter van de dokter leefde ik in een glazen kastje, dat vond ik niet zo leuk.

Op mijn 13e verhuisden we naar Meppel. De praktijk werd verkocht en mijn vader ging aan de slag als adviserend arts bij een verzekeringsmaatschappij. Later werd hij arts in een verpleeghuis, dat was beter, daar was hij weer huisarts voor de mensen. Mijn moeder viel echt in een gat. Ze zorgde wel dat ze dingen te doen had – ze zat in het koor, ging op stap met vriendinnen, deed het huishouden –, maar het was toch heel anders. Aan mij had ze niet veel, ik was altijd met paarden bezig. Toen mijn vader met vervroegd pensioen ging, zouden ze echt gaan genieten. Maar toen kreeg mijn moeder kanker. Ze is overleden toen ons oudste kind één jaar was. Voor mijn vader was het heel moeilijk, hij was nooit alleen geweest en dat viel hem heel zwaar.

Ik ben een verzamelaar. Ik heb nog  flesjes, vijzels, gewichtjes, tangen. Als ik die voorwerpen zie, denk ik aan hoe ik opgroeide. Ik besef steeds meer dat ik een heel speciale jeugd heb gehad. Alles was met elkaar verweven. Het huis, de praktijk, de apotheek. Het heeft me gevormd. Ik ben trots op mijn ouders en dankbaar voor alles wat ze me gegeven hebben. Ik ben nu zelf verpleegkundige, dat is niet voor niets natuurlijk. Het was een geweldige tijd die ik niet had willen missen.”

Volgende