"Ze accepteerde me volledig zoals ik was, ze oordeelde nooit."

 

Terug

Elsbeth van Beilen over het bonbonschaaltje van haar oma

“Mijn oma is 92 geworden. Ze is er op het laatste moment tussen uit gepiept. Ze zou naar het ziekenhuis, mijn moeder ging de rolstoel halen. Toen ze terugkwam, was oma overleden. We verdeelden haar spullen onder de kinderen en kleinkinderen. Ik had vooral belangstelling voor de dagelijkse dingen, de gebruiksvoorwerpen die iedere dag door haar handen gingen, zoals dit bonbonschaaltje. Steeds als ik het zie, denk ik aan oma Wimke. Mijn dochter is naar haar vernoemd: Sara Willemien.

Opa en oma kregen verkering in Tynaarlo. Ze trouwden in 1933 en trokken via Wijhe naar Hoenderlo, naar een dienstwoning van de werkgever van opa. In de oorlog kwamen ze door toedoen van de Duitsers in Arnhem terecht. Tijdens het bombardement raakten ze alles kwijt wat ze hadden. Oma vertelde wel eens wat ze dacht toen het gebeurde: ‘Hee… er vallen allemaal potloodjes uit de lucht!’.

Ze vluchtte met een zwaar bepakte fiets en twee kinderen richting het noorden. Haar hele leven heeft ze nachtmerries over het bombardement gehad. In 1946 verongelukte mijn opa. Mijn oma moest de dienstwoning verlaten en ging terug naar Tynaarlo. Daar heeft ze 40 jaar gewoond. De laatste 12 jaar van haar leven woonde ze bij ons in Hardenberg, midden in het dorp.

Een paar keer per jaar logeerden we bij oma in Tynaarlo. Ze woonde in een kleine arbeiderswoning met een – in mijn beleving – immense tuin. Ik zie het nog voor me: de koude wc, de schuur en in de kamer de kast met gordijntjes in plaats van deurtjes. Achter die gordijnen lagen allerlei interessante dingen. Blikken van voedseldroppings uit de oorlog, oude paardendekens, poppen en poppenbedjes, oma´s oude brillen. Oma maakte zelf poppenkleertjes, jasjes met bontkraagjes, daar hebben we eindeloos mee gespeeld. We sliepen in houten bedden met zijstukken, onder wollen dekens met lekkere schone lakens. Als ik weer met de bus naar huis ging, moest ik altijd huilen. Oma was sterk, maar had ook iets breekbaars, iets eenzaams.

Mijn oma heeft het zwaar gehad. Ze stond er alleen voor en moest met haar twee dochters rond zien te komen van een kleine uitkering. Ze was een bescheiden vrouw. Schoon en proper. ‘Kind, kam je haar eens!’  Ze sprak nooit kwaad over een ander en ze was ook wijs. Jaloerse mensen, zei ze wel eens tegen me, daar moet je het contact mee afbreken, dat gaat niet.

Ze was niet van het knuffelen of verwennen, ze gaf de kleinkinderen geen grote cadeaus. We kregen sokken. Maar als je er was, kreeg je altijd haar oprechte aandacht. Ze genoot er van als je kwam. En ze kon goed koken en bakken! Haar ragouts waren verrukkelijk, haar cake hoog, zacht, smaakvol. Mijn moeder deed precies hetzelfde, maar haar cake werd nooit zo lekker als die van oma.

Oma had geleerd om zelf iets van het leven te maken. Ze was bij de tijd, had een droge humor. Ze was tevreden met wat het leven haar gaf, maar ik denk wel dat ze haar eigen gevecht gevoerd heeft. Ze zeurde nooit, had een rotsvast geloof en hechtte weinig aan materiële zaken. Oma was heel puur, geen opsmuk. Kwetsbaar en krachtig tegelijk. Maar beslist niet bang! Het verhaal gaat dat ze twee oplichters met een stok haar huis uit sloeg.

Toen ik een jaar of tien was, kwam ze bij ons in Hardenberg wonen. Ik kwam veel bij haar. Ze belde een paar keer per dag, over van alles. Dat er weer gezoend was bij de Flying Docters en dat de sinaasappelen in de aanbieding waren. Voor ieder kleinkind dat op kamers ging, borduurde ze een tafelkleed. Je moest zeggen welke kleur je wilde en dan ging ze aan de slag.

Pas later ben ik gaan beseffen wat ze voor mij betekende. Ze accepteerde me volledig zoals ik was, ook toen ik naar de kunstacademie ging en aan het experimenteren was met mijn kleding. Ze oordeelde nooit. Ik geef mijn herinnering aan deze lieve, bijzondere vrouw graag door. Dit snoepschaaltje is een stukje van mijn tastbare geschiedenis met haar.”

Volgende